zoemdak

Natuurpunt helpt IBIC groendak biodiverser te maken

- Blog | 2 min leestijd

De bijen krijgen het al jaren hard te verduren. Dat is geen goed nieuws. In eerste instantie voor de bijen zelf natuurlijk, maar evenmin voor ons. Driekwart van onze land- en tuinbouwgewassen rekenen immers op deze bestuivers. Toen IBIC bij Natuurpunt aanklopte om mee te werken aan een zoemdak – een groendak met een upgrade tot een volwaardige habitat voor bijen – werd de groendakspecialist dan ook met open armen ontvangen.

IBIC legde begin 2020 veertien zoemdaken aan in Vlaanderen en Brussel en zoekt samen met onderzoekers van KU Leuven (prof. em. Martin Hermy) en PXL Bio-Research van PXL Hogeschool (Carmen Van Mechelen) naar de ideale beplanting om meer wilde bestuivers naar de groendaken te lokken. Om te meten of er echt wel meer en meer soorten bijen en insecten op de speciaal ingerichte groendaken afkomen, doet IBIC een beroep op de specialisten van Natuurpunt. Als je de effectiviteit van een zoemdak wil meten, moet je natuurlijk experts hebben die erin slagen de 403 verschillende bijensoorten die in ons land voorkomen te herkennen. Jens D’Haeseleer is zo’n expert: “Dat een commercieel bedrijf vooruit denkt en deze positieve stap zet, vind ik geweldig.”

 

Twee vragen staan centraal in het wetenschappelijk ondersteunde zoemdakproject van IBIC:

  • Is het mogelijk een zadenmengsel samen te stellen waarvan bewezen is dat het meer biodiversiteit op een groendak brengt dan andere mengsels?
  • Heeft de opbouw van het substraat van het dak een invloed op de planten die er groeien en zo een impact op de bijen die het kan aantrekken?

 

Klassieke groendaken zijn bedekt met sedums in allerlei kleuren en vormen. “Die ogenschijnlijke variatie zorgt helaas niet voor een rijkdom aan wilde bestuivers op het dak”, zegt D’Haeseleer. “De planten bloeien drie, vier weken per jaar en dan is het liedje uit. We moeten dus nectar- en stuifmeelplanten bijeenbrengen die de insecten over een veel langere periode voeden.” 

 

Het zadenmengsel is een deel van de oplossing, een andere kijk op wat een groendak moet zijn is een ander deel. D’Haeseleer: “We denken te veel in termen van monoculturen. Vergelijk het met een gazon: kortgeknipt gras waar alle paardenbloemen en alle mos uitgekrabd is, is gevoeliger voor droogte en zon en gaat sneller kapot. Ook op een groendak biedt een grotere diversiteit aan planten een hogere bescherming tegen extreme regenval, extreme temperaturen, extreme droogte… Hoe minder monocultuur, hoe beter. Dat weten we. Wel beseffen we te weinig hoe groot de impact is van verschillende vormen van biodiversiteit. En weten we niet genoeg over de wisselwerking en gunstige effecten van een combinatie van grassen, klavers, sedums en andere planten en kruiden op het insectenbestand.”

 

De ambitie is om wilde bestuivers niet alleen te lokken, maar ze ook ‘onderdak’ op het dak te geven. Planten zorgen voor voedsel en beschutting, maar idealiter wordt een zoemdak een echte nestplaats voor de insecten, een volwaardige habitat. De substraatlaag van zes centimeter op een extensief groendak, is onvoldoende als nestgelegenheid. “Op de testdaken hebben we dan ook vormen van nestgelegenheid voorzien: dikkere substraatlagen en zones van zavel waarin sommige soorten graag een onderkomen zoeken, geperforeerde stukken boomstam… ”, zegt D’Haeseleer. “Als we erin slagen de bijen te laten nestelen op een zoemdak, dan zijn ze minder afhankelijk van tuinen of parken in de buurt, die voor je het weet op de schop gaan. Zoemdaken kunnen uitgroeien tot echte bakens van biodiversiteit in verstedelijkte gebieden.”